Dit stukje heeft niets met de
hondenwereld van doen. Of het moet zijn dat ik om 8.00 uur in de supermarkt belandde om een
Rodi hondenworst te kopen; Skip verwacht (terecht) elke morgen voor het wandelen twee plakjes Rodi. Bij de kassa stond voor dag en dauw een niet helemaal wakkere Poolse seizoenarbeider voor
mij in de rij. Met een plof kwakte hij een zak huismerkchips op de loopband. De
zak scheurde in het midden open en paprikachips gulpten op het zwarte rubber.
De jongen verkeerde in de veronderstelling dat hij de opengereten zak door
eigen schuld, moest afrekenen. Een tevergeefse worsteling om het cellofaan
bijeen te houden. Met handen als kommetjes gevouwen veegde hij onhandig een
handvol plofchips van de band. Hij wist zo gauw niet waar hij die moest laten:
terugdoen in de zak was vies. Lichte paniek.
Ik volgde geboeid het gedoemde bergje
achtergebleven chips dat steeds dichter bij de metalen strip aan het einde
kwam. Waren zij, wij, voorbereid op een apocalyps? Stopte de kassamedewerker de
band op tijd, had ze een veger en blik klaarliggen voor dit soort calamiteiten
of liet ze de chips verkruimelen tussen band en strip? Het slot was minder
spectaculair als gedacht. Terwijl de jongen zijn handen leegde in de aangeboden
prullenmand en een nieuwe zak uit het schap haalde, opende de onverstoorbare
caissière gewoonweg de strip die een klepje bleek te zijn, met de koelbloedige
opmerking erbij: als de berg onder mijn voeten te hoog wordt, komt een medewerker
van onderhoud met de stofzuiger.
uit de bundel: Kluif (2013) door Cela den Biesen